
A springtail looks a bit like a tiny grey Michelin Man: a wrinkled round body with short fat legs and antennae. There's still discussion on whether springtails belong to the insects or not, in any case they are placed in their own class: the Entognatha and, inside that class, in the order of the the Collembola. Most springtail species are inhabitants of moist places like dried-up pools, humid soil, tree-whollows and flowerstands. They can be found in all kinds of climates, from warm tropical forests to frozen glaciers. Just a few springtail species are living on the banks of ditches and lakes, but there they can be so numerous that they form a thin gray-blue carpet. They can jump and walk on the quiet watersurface of the borders. In Holland two species are present at the banks of ditches and ponds: the very common blue-gray Podura aquatica and the soewhat less common, white ballshaped Sminthurus. Both are tiny creatures, about one millimeter in size.

THE LITTLE FORK (furcula) lies folded forward under the belly. It consists of two appendages attached to the tip
of the abdomen that can be be hinged forward. It is always extended backwards on the molted skins and on
dead specimens. In rest the two teeth of the fork are gripped by a sort of small latch, lying on the third segment.
twee tanden van de vork vast achter een soort grendeltje, wat op het derde segment zit. Als de
springstaart wil springen, bijvoorbeeld bij gevaar, zet hij kracht op de vork en laat dan het
grendeltje los. Daardoor slaat de vork met een klap op de ondergrond (of op het water) en wordt
de springstaart centimeters weg gelanceerd. Voor ons zou dat omgerekend een sprong van 30 tot 40
meter betekenen! De Nederlandse namen zijn natuurlijk afgeleid van deze vork, iets minder
duidelijk geldt dat ook de voor Latijnse naam Podura,"voetstaart". De grendel zorgt voor
de schietende beweging, zoals bij de gespannen veer van een geweer. Het is gemakkelijk zelf het
effect na te gaan: maak een vuist en strek de wijsvinger een paar keer. Doe dan hetzelfde, maar
nu met de wijsvingertop eerst gevangen achter de duimtop: de beweging is dan veel sneller.
DE COLLOFOOR (letterlijk: lijmdrager) is een tweede instrument van het beestje. Deze zit
onder op het eerste segment van het achterlijf, op de foto links te zien als de dubbele
lichtbruine schijf tussen de vorksprieten. Het is een klein buisvormig orgaan wat eindigt in twee
buisjes en uitgestulpt wordt met behulp van de bloeddruk. De functie is niet helemaal duidelijk,
mogelijk zijn er verschillende functies, zoals het opnemen van vocht en het vasthechten aan de
ondergrond. Deze laatste eigenschap heeft de springstaarten hun wetenschappelijke orde naam
gegeven: Collembola van Colle-, lijm en -embola, wig, omdat dit
"vastplakken" de enige functie was die men kon bedenken. De springstaart is zelf waterafstotend,
waardoor hij zonder moeite haast wrijvingsloos over het wateroppervlak glijdt. Dreigt hij door de
wind weg te worden geblazen, dan steekt hij de collofoor, die niet waterafstotend is, door
het wateroppervlak als een soort micro ankertje, en lijkt hij daardoor aan het wateroppervlak te
kleven. Daarna wordt dit anker weer ingetrokken en glijdt de springstaart weer vrolijk
verder.
De kuddes springstaarten worden soms belaagd door een kortschild kevertje, Stenus bimaculatus Deze heeft een lange tong, die onder invloed van de bloeddruk naar buiten geduwd wordt. Aan het einde van de tong zitten twee kleefschijfjes, waarmee de kever als een soort kameleon een springstaart kan vangen. Verder hebben oppervlakte wantsen als de vijverloper en Microvelia ook springstaart op het menu. Of Nederlandse kikkertjes springstaarten eten weet ik niet, veel tropische kikkers lusten ze in ieder geval wel.